Bij de beesten af

Eerder verschenen op Penwerk — 18.04.2017

Iedereen is in het leven wel eens voor een andere diersoort uitgemaakt. Onze taal is namelijk rijk aan dat soort zegswijzen. Dieren hebben kennelijk specifieke eigenschappen die we graag toekennen aan een persoon. Meestal is dat geen probleem.

Deze week werd weer eens duidelijk gemaakt dat het dat soms wel is. “Aha”, hoor ik je denken, “nu komt de aap uit de mouw!” Nee hoor, dié aap neem ik niet op mijn schouder. Dat is de aap gevlooid.

​Apen zijn sowieso erg populair. Dit aapje heeft een kunstje geleerd en denkt nu dat hij er een blog mee kan vol pennen. Dat ik daarbij misschien wel regelmatig voor aap sta, neem ik op de koop toe. Ook dat ik door het schrijven van dit bericht risico’s loop. Zo kan het zijn dat ik iemand beledig of na-aap en dan ben ik toch maar mooi in de aap gelogeerd.

Maar laat ik eerst één ding duidelijk maken. Dit stukje is weliswaar getriggerd door de rechtszaak Simons maar staat daar verder los van. Ik heb ook de kennis van zaken niet om daar inhoudelijk op te kunnen reageren. Maar het staat buiten kijf dat je mensen niet alles zomaar naar hun hoofd kunt slingeren en zeker niet bedreigen.

Het woord “aap” werd ook genoemd. Hierop doordenkend, viel het mij op dat mensen de laatste jaren zich ineens door de meest vreemde zaken beledigd voelen. Er hoeft maar een -lang niet altijd negatief bedoeld- woord te vallen en er wordt op gereageerd als de hond van Pavlov.

Ik ben vroeger -en wordt soms nog wel- voor snotaap uitgemaakt. Nu is mij niet duidelijk hoe zo’n dier er uitziet maar dat het erger is dan een gewone aap, dat moge duidelijk zijn.

Naast een snotaap, schijn ik ook kenmerken van een ezel te bezitten en vond de wiskundeleraar van de middelbare school mij een stom rund. Daarvoor was ik al regelmatig voor een gup uitgemaakt. (terwijl ik toch zo graag een neon-tetra was geweest)

Ik schijn soms een slome duikelaar te zijn maar ook wel eens een lui varken en zo traag als een slak. Ik heb geen olifantenhuid maar ben wel zo koppig als een ezel. Ook moet ik vaak ophouden met katten, loop ik als een kievit, piep ik wel eens als een hond of loop ik te miauwen. Tegenwoordig ben ik een brombeer en een mierenneuker. De vissenogen en de paardenbek daarentegen zijn me tot op heden bespaard gebleven.

Ik voel me vrijwel nooit beledigd als ik weer tot andere diersoort wordt benoemd. Wat is het dat je je er wel door beledigd voelt? Het kan de toon zijn of de persoon die het zegt. Ook mensen die nu op hun achterste poten gaan staan (oei!) bij het horen van het woord “aap” zijn door hun moeder vast wel eens voor snotaap uitgemaakt en voelden zich toen niet beledigd.

Het kan ook het soort woord zijn; een geitenneuker is nu eenmaal wat anders dan een mierenneuker. Dat die laatste niet letterlijk bedoeld is weet iedere ezel. Of niet?

De moraal van dit verhaal: Als je als ongelikte beer iemand voor aap uitmaakt, moet je er niet van opkijken als je de gebeten hond wordt. Maar voel je je de gebeten hond, kijk dan uit dat je jezelf daardoor niet voor aap zet.

Geef een reactie