Kleur

Het is zo’n dag waarop de kilte je bekruipt als je alleen al, tussen de druppels op het vensterglas door, naar buiten staart.

Ik mis de haard, de warmte van een knetterend vuur en trek mijn schoenen aan, ooit vuurrood maar al lang vervallen tot een onbestemd grijs.

De deur valt achter me dicht, ik trek mijn jas wat beter dicht en loop het bos in.   

Uit troosteloze hopen natte, dorre bladeren, pas nog een kleurexplosie van oranje, geel en rood, rijzen donkergrijze stammen naar boven waaruit, met zichtbare moeite, takken waaraan her en der een laatste eenzaam blad zich met de moed der wanhoop vastklampt, naar de grijze hemel kronkelen, op zoek naar een beetje licht. Als verwond door die takken, valt uit de grauwe lucht gestaag een gordijn van druppels op mijn grijze kop. In de verte hoor je water verplaatsen door autobanden, geen vogel laat zich horen, geen mens zich zien. 

Mijn voeten stappen voort over een ooit zwart asfaltpad, grotendeels bedekt met een bruingroen mostapijt, dat meer wegheeft van een dun laagje modder.  

Alleen de frisgroene banen gras naast het pad geven de wereld kleur, als op een zwart-witfoto, die ingekleurd is.

Geef een reactie