Spreekwoordelijk

Veel mensen hebben een hekel aan spreekwoorden. Ze vinden het dooddoeners of begrijpen ze niet. En sommige zijn ook best vreemd.
Omdat de pen nu eenmaal machtiger is dan het zwaard…

Neem nu die Abraham, bij hem schijn je te moeten zijn als je de mosterd weer eens niet kunt vinden in die net alweer opnieuw ingedeelde supermarkt. Dus ik achter al die in bedrijfsoutfit geklede figuren aan. Wat denk je? Uiteraard niet één Abraham. Dat zou me ook verwonderd hebben want ik ken er niet één. Ik heb wel eens een klasgenoot gehad die AbrahamS heette maar Abraham, ho maar.
De chef dus maar aangesproken, zo’n grauwe vijftiger, die natuurlijk van de prins geen kwaad wist, “Abraham, nee, we hebben wel een Ibrahim maar die heeft vrij vandaag.” Vijftiger, Nederlander en van de prins geen kwaad weten. Hoe onnozel kun je zijn. (Geldt trouwens ook voor onze zuiderburen)

Ik ren naar buiten, loop bijna een zwerver ondersteboven die alleen maar oog heeft voor een asociaal groot broodje hamburger. Wat nou, wie niet werkt, zal niet eten. Wel een erg vette hap trouwens, ach ja, ieder diertje zijn pleziertje.
Vervolgens spring ik pisnijdig in mijn Koreaanse bijna-middenklasser -je moet nu eenmaal roeien met de riemen die je hebt- en trap hem van gif meteen flink op zijn staart… waarna ik direct weer vol in de ankers moet omdat de een-of-andere lul-de-behanger in een dikke G-klasse met dubbele paardentrailer me de weg afsnijdt.
Dat spreekwoord slaat dus ook al nergens op. Al die gasten die hun paard achter de wagen hebben gespannen hebben hun schaapjes al lang op het droge. Een bekend Italiaans automerk voor veelverdieners heeft, om dat te benadrukken, zélfs een paard achter op de auto geplakt!
Ik race achter die Mercedes aan, dwing hem tot stoppen en gebaar die gast zijn raampje te laten zakken. Als het raampje voldoende gezakt is, haal ik uit. Boontje komt om zijn loontje.

Ik kan weer verder en even later rijd ik de oprit op. Thuis, in de polder. Wat maar weer eens een bewijs is dat niet alle wegen naar Rome leiden. Met een angstig voorgevoel open ik de voordeur en loop de kamer binnen, de kat is immers nog in het asiel. Maar nee, hoor, ze dansen niet op tafel, het is muisstil, zodat ik met een gerust hart op de bank neer val. Wat een dag!

De tijd leert mij vervolgens dat ieder muisje dan toch een staartje heeft, want volgens de rechter is die eerste klap véél meer waard dan een daalder. Met hoge heren is het immers kwaad kersen eten.

Geef een reactie