Etnisch profileren: ook gij, Brutus!

De mens onderscheidt zich van andere zoogdieren door het denkvermogen. Althans dat denken wij te weten. In ieder geval zijn onze grijze celletjes de oorzaak van het feit dat wij de heersende soort zijn en ook de oorzaak van een hele hoop ellende.

Nu is het zo dat die grijze celletjes te trainen zijn, ze worden sterk beïnvloed door wat er om ze heen gebeurt en gezegd wordt. Omdat een mens in een bepaalde omgeving opgroeit, worden de bijbehorende hersenen getraind door die specifieke omgeving.
Dus: groei je op tussen alleen maar mensen met een lichte huidskleur, die ook nog eens jouw taal spreken, dan zal ieder ander individu dat niet dezelfde huidskleur heeft, dezelfde taal als jou spreekt of in een andere omgeving is opgegroeid en zich dus anders gedraagt, op jou als vreemd overkomen. Vreemde zaken ziet de mens als een potentiële bedreiging. Waarom? Geen idee, maar er zijn zelfs spreekwoorden/zegswijzen die dat benadrukken: Wat de boer niet kent, dat eet hij niet, onbekend maakt onbemind, om er maar een paar te noemen.
Zoals wij doen, zo hoort het ook, wij zijn nu eenmaal de norm en de rest die doet maar wat.

Zo hebben we dus de basis voor discriminatie te pakken. Iedereen heeft het. De een wat meer dan de ander, maar toch. Gelukkig zijn er mensen die, door diezelfde hersencelletjes, vinden dat andere mensen discrimineren niet mag en dus bewust proberen die onderbewuste signalen te onderdrukken. Dat gaat niet zo maar. Er zullen jaren en jaren overheen gaan, in een omgeving waarin onze hersenen stelselmatig getraind worden om te gaan met mensen uit andere culturen, een andere taal en/of een andere huidskleur, om die waarschuwingssignaaltjes uit onze bovenkamer te elimineren.

Zoals al eerder gezegd, iedereen heeft het. Als polderbewoners vinden wij het niet prettig door westerlingen voor “boer” uitgemaakt te worden. Toch zetten we met even groot gemak groepen als Urkers, Duitsers, Friezen en Belgen als minder “normale” mensen weg. Over Polen, Marokkanen, Turken en asielzoekers maar niet te spreken.
Ik heb een zuidelijke tongval en wordt vaak uitgemaakt voor Limbo/Limburger. En op de een of andere manier vind ik dat niet leuk, het kwetst mij. Ik ben immers een Brabander (zo’n boer, drugsdealer en coronaverspreider, je weet wel.) Nu ben ik inderdaad in Brabant geboren maar ben vanaf mijn 6e levensmaand in Limburg opgegroeid. Ik ben dus meer dan een halve Limburger en houd bijvoorbeeld van de Limburgse taal. Waarom voel ik me dan gekwetst als ik als Limburger wordt gekenmerkt? Zou het iets te maken kunnen hebben met het feit dat ik er nooit echt bij hoorde, dat ik, ondanks mijn vloeiend plaatselijk taalgebruik, altijd die “Hollander” bleef?

We doen het dus allemaal: discrimineren, etnisch profileren, hoe je het maar noemt. We maken allemaal wel eens een opmerking, een grap die niet kan. Zo’n zelfde grap kan dan blijkbaar weer wel als hij gemaakt wordt door iemand die uit de desbetreffende etnische groepering komt. Dat hij/zij daarmee de etnische profilering mede in stand houdt, dringt misschien niet meteen tot iedereen door. Aan de andere kant… als er dan nog eens op gewezen wordt dat zo’n grap of uitspraak niet kan, dan draagt dat bij tot het trainen van onze grijze celletjes. En dat is dan ook het doel van een stukje ongestructureerd breiwerk als dit: het trainen van de hersenen, het bewustmaken. Want bewustwording, dat is de eerste stap…

Geef een reactie